Cornelis van Hout
Bijnaam: "Flipper"
Cor van Hout werd geboren op 18 augustus 1957 in Amsterdam. Als puber werd hij al eens neergeschoten. Hij raakte gewond aan zijn been. De dader sloeg hij het ziekenhuis in. Halverwege de jaren-70 had hij samen met Frans M. en Jan B. een aannemersbedrijfje dat uitgroeide tot een bedrijf met rond de 100 werknemers. In die tijd hielden ze zich ook bezig met het verwijderen van krakers uit panden. Dit ging meer dan eens gepaard met geweld. 
Tussen 1977 en 1982 zouden Van Hout, M., B. en Willem Holleeder zich bezig hebben gehouden met spectaculaire overvallen op banken, geldtransporten en grote winkels. Bij een overval op het hoofdpostkantoor in Amsterdam ontsnapte de groep in een speedboot. De buit zou uit 6 tot 7 miljoen gulden hebben bestaan. 
Hij was een van de ontvoerders van Alfred Heineken en zijn chauffeur in november 1983. Na de ontvoering dook hij samen met Willem Holleeder onder in Parijs. Op 29 februari 1984 werden ze daar gearresteerd. 
Nederland verzocht om hun uitlevering. Op 7 maart 1984 moesten Van Hout en Holleeder voor een rechtbank verschijnen. De rechtbank besloot de beslissing over de uitlevering uit te stellen tot 21 maart, onder meer omdat het uitleveringsverzoek nog moest worden vertaald. Op 28 maart stonden de twee weer voor de rechter. Ze gaven toen aan dat ze niet meer mee wilden werken aan uitlevering aan Nederland. De Franse rechter moest daarom nagaan of hij het tweetal tegen hun zin aan Nederland kon uitleveren. 
Op 23 mei 1984 besliste het Hof van appèl in Parijs dat Van Hout en Holleeder aan Nederland uitgeleverd mochten worden. De argumenten van de verdediging dat de uitlevering niet kon op gevraagde onderdelen, onder andere ontvoering en gijzeling, werden van de hand gewezen. Voor het tweetal daadwerkelijk kon worden uitgewezen moest de Franse regering de uiteindelijke beslissing nemen. 
In december beslistte een Franse rechtbank dat Van Hout en Holleeder alleen voor
'schriftelijke bedreiging' uitgeleverd mochten worden. De minister van justitie in Nederland, Korthals Altes, trok op 5 december 1985 het uitleveringsverzoek in. Wel zouden Van Hout en Holleeder op de internationale opsporingslijst blijven staan zodat ze eventueel in een ander land gearresteerd konden worden. 
Van Hout en Holleeder kwamen op 6 december 1985 op vrije voeten in Frankrijk. Ze werden ondergebracht in een hotel in het plaatsje Beauvais. Frankrijk had ze tot ongewenste vreemdelingen verklaard.
Van Hout en Holleeder werden vervolgens tussen Franse kolonies in het caribisch gebied heen en weer gevlogen. De bevolking van de eilandjes kwam elke keer in opstand en uiteindelijk werden ze teruggevlogen naar Parijs. 
Op 9 december 1985 werd bekend dat Van Hout en Holleeder een proces wilden aanspannen tegen de Staat der Nederlanden. Ze eisten daarin dat de minister van justitie de opgezegde uitleveringsprocedure alsnog zou afmaken en de uitspraak van de Franse Raad van State daarover zou respecteren. Die uitspraak kwam er op neer dat beiden in Nederland niet meer dan vier jaar celstraf opgelegd konden krijgen. 
Volgens advocaat Moszkowicz werd het proces mogelijk aangespannen omdat Nederland onbehoorlijk bestuur zou plegen. “Eerst procederen ze twee jaar en als er dan een beslissing komt die ze niet welgevallig is, lopen ze weg. Nou, zo zit de rechtspraak niet in elkaar. Wij eisen nu dat onze cliënten alsnog worden uitgeleverd aan Nederland met de beperking die de Franse Raad van State daarbij heeft opgelegd”.

Op 15 juli 1986 trokken Van Hout en Holleeder het hoger beroep tegen het uitleveringsverzoek in. Volgens advocaat Moszkowicz wilden de twee de procedure bespoedigen omdat het allemaal wel erg lang duurde.
Inmiddels was er tussen Nederland en Frankrijk een uitleveringsverdrag gesloten voor ontvoering en de twee werden uitgeleverd. 
Op 5 februari 1987 werd een celstraf van 12 jaar geëist tegen Van Hout. De officier van justitie achtte bewezen dat hij betrokken was bij de ontvoering van Alfred Heineken en Ab Doderer.
Op 19 februari 1987 werd Cor van Hout tot elf jaar veroordeeld. Van die elf jaar zou de periode die hij in uitleveringsdetentie had gezeten in Frankrijk worden afgetrokken.
In mei 1987 maakte het Openbaar Ministerie bekend dat de hoofddaders van de Heineken-ontvoering ook verdacht werden van 8 gewapende overvallen en één schietpartij in Amsterdam. Bij de overvallen, die tussen 1977 en 1983 werden gepleegd, werd ruim 6,5 miljoen gulden buitgemaakt. 
Op 22 mei zouden Holleeder en Cor van Hout over de verdenkingen zijn gehoord. Frankrijk moest officieel toestemming geven om het tweetal ook daadwerkelijk te kunnen vervolgen voor de overvallen en Nederland deed daarom een aanvullend uitleveringsverzoek. Juridisch mochten ze namelijk alleen worden vervolgd voor de verdenkingen waarvoor zij waren uitgeleverd. Het zou gaan om de volgende zaken:
1. Schietpartij op 16 oktober 1977 waarbij op de politie was geschoten. 
2. Overval op Van Gend en Loos geldloper op 16 januari 1978 op de Ceintuurbaan. Buit: 820.000 gulden.
3. Overval op AMRO in de Jodenbreestraat op 12 mei 1978. Buit: 150.000 gulden.
4. Overval op geldloper op de Ceintuurbaan op 9 november 1979. Buit: 450.000 gulden. 
5. Overval op geldloper op de Stadhouderskade op 27 maart 1980. Buit: 250.000 gulden.
6. Overval op Van Gend en Loos geldloper op 10 juli 1980 op het Surinameplein. Buit: 520.000 gulden.
7. Overval op de Makro in Duivendrecht op 22 december 1980. Buit: 2,4 miljoen gulden.
8. Overval op PTT kantoor aan de Oosterdokskade op 7 januari 1982. Buit: 1,7 miljoen gulden.
9. Overval op AMRO (of Rabo) in Aalsmeer op 8 november 1982. Buit: 400.000 gulden. 
Cor van Hout reageerde vanuit de gevangenis telefonisch op de nieuwe beschuldigingen: “Vindt de politie soms dat we te weinig straf hebben gehad voor de Heineken-zaal en wordt er nu wat bijgezocht? Als je de verhalen mag geloven hebben wij zo’n beetje alles gedaan wat ze nooit hebben kunnen oplossen. Dat is wel makkelijk. Straks zeggen ze nog dat ik als klein kind “Blonde Dolly” heb vermoord. Laat ze het maar goed uitzoeken, dan zijn we misschien ooit van alle geruchten af”. 
Op 6 november 1987 keurde Frankrijk het aanvullende uitleveringsverzoek van Nederland om Van Hout en Holleeder te vervolgen voor acht overvallen en een poging tot doodslag op een politieman goed. 

Op 19 maart 1991 sloot justitie het vooronderzoek tegen Van Hout omdat er te weinig bewijzen waren. Hij zou daardoor niet vervolg worden voor de overvallen en de schietpartij met de politie. 
Rond de jaarwisseling van 1991 en 1992 kwam Van Hout weer vrij. Hij zou zich daarna gelijk weer met criminele zaken bezig gehouden hebben. Hij bouwde een bende op die grote belangen had in o.a. de sexbranche. Van Hout zou de leider zijn van die bende. In 1993 ontving de CIE in Amsterdam een tip dat Van Hout en Willem Holleeder een overval zouden voorbereiden op de bloemenveiling van Aalsmeer. Voorbereidingshandelingen voor een overval waren in die tijd nog niet strafbaar. De politie besloot het duo te vertellen dat ze op de hoogte waren van de plannen.
In november 1993 zou Van Hout zakenman Lou Bartels hebben bedreigd. Bartels kocht toen de zogenoemde Wolkenkrabber op het Victoriaplein. Cor van Hout zou hebben geëist dat Bartels de aankoop met een door hem bepaalde aannemer zou doen. Van Hout zou hebben gezegd dat er 'vervelende dingen' zouden gebeuren als Bartels niet op Van Houts wensen zou ingaan. 
Op 27 maart 1996 overleefde hij een aanslag op 38-jarige leeftijd in Amsterdam. Hij werd twee keer in het lichaam geraakt en één keer in het hoofd. Volgens een theorie die na de aanslag de ronde deed, zou hij de delta-organisatie geript hebben. Volgens Van Hout zelf, zou er een informant van de politie achter de aanslag hebben gezeten. Deze informant was in het proces tegen Johan V. een belangrijke getuige en volgens Van Hout zat hij ook achter het wegtippen van een partij hasj in Spanje waarvoor de halfbroer van Van Hout werd veroordeeld. Hij zou de informant daarover hebben aangesproken en kort daarna werd de aanslag gepleegd. Later zou Van Hout er van overtuigd zijn geraakt dat Sam Klepper en John Mieremet achter de aanslag zaten. De aanleiding zou een mislukt drugstransport zijn waarvoor Klepper en Mieremet Van Hout een boete zouden hebben opgelegd van 1 miljoen gulden die hij weigerde te betalen. Na deze aanslag zou Willem Holleeder de boete alsnog betaald hebben. Dit zou hebben geleid tot een onherstelbare breuk tussen het tweetal. Holleeder zou zich daarna hebben aangesloten bij Klepper en Mieremet (Op 11 september 2007 zou Holleeder voor de rechtbank hebben verklaard de Klepper en Mieremet achter de aanslag zaten).
Na de aanslag in 1996 dook Van Hout onder in het buitenland. Onder zware politiebewaking werd hij vanuit het VU-ziekenhuis naar Schiphol gebracht. Bij de aanslag werd hij door zeker 4 kogels geraakt. Zijn wang en kaak waren doorboord en hij werd ook in zijn schouder geraakt. In het VU-ziekenhuis werd hij meerdere keren geopereerd. Van Hout zou naar de Costa del Sol in Spanje zijn gegaan en later ook aan de Franse zuidkust. Ook zou hij op Curaçao zijn gezien. Enkele weken na de aanslag loofde hij een beloning uit van 250.000 gulden voor tips die zouden leiden naar de opdrachtgever(s) van de aanslag. In augustus 1996 zou Van Hout zijn teruggekeerd in Amsterdam. Buitenshuis zou hij sinds de aanslag vaak een kogelvrij vest zijn gaan dragen. 
Na de breuk met Holleeder zou Van Hout zich zijn gaan bezighouden met grootschalige hasjhandel. Hij verhuisde naar België en zou een internationaal netwerk hebben opgebouwd dat in hasj handelde. De winsten zouden zijn witgewassen in onroerend goed, speelautomaten en investeringen in de prostitutie. De organisatie van Van Hout zou bestaan uit verschillende divisies die onderling niet van elkaar zouden weten waar ze zich mee bezighielden.
In 1994 was de Amsterdamse politie al begonnen met het zogenoemde City Peak onderzoek. Aanleiding was een tip dat Van Hout zich samen met Holleeder, Rob G. en Gijs van D. jr. zou bezighouden met de handel in hard- en softdrugs. Op 6 oktober 1997 werd Van Hout gearresteerd. In januari 1998 eiste de advocaat van Van Hout dat het OM een videoband moest afstaan waarop beelden zouden staan van de aanslag op Van Hout. De woning van Van Hout werd op dat moment in de gaten gehouden in het kader van het City Peak onderzoek. Tegen Van Hout werd op 14 april 1998 6 jaar celstraf en een miljoen gulden boete geëist. Tevens eiste het OM verbeurdverklaring van zeker 20 prostitutiepanden in Alkmaar. Op 18 mei 1998 werd hij tot 4,5 jaar cel veroordeeld. Volgens officier van justitie Teeven was Van Hout leider van 'een schoolvoorbeeld van een criminele organisatie'. De organisatie van Van Hout zou zeker 4000 kilo hasj hebben verhandeld. Van Hout ging aanvankelijk in beroep tegen de veroordeling maar trok dat later weer in. 
Aan het eind van 1999 kwam Van Hout weer vrij. In de gevangenis van Heerhugowaard was hij bevriend geraakt met Ronald van E. Na de aanslag op Van E. verklaarde Cor van Hout dat Klepper en Mieremet achter die aanslag zouden hebben gezeten.
In april 1999 trof Van Hout een schikking met justitie. In ruil voor een betaling van ruim 3 miljoen gulden werd er geen onderzoek gedaan naar hoe Van Hout aan zijn geld was gekomen. Het OM besloot tot de schikking omdat een financieel strafrechtelijk onderzoek zich waarschijnlijk jaren zou voortslepen. 
Op 18 mei 2000 werd Van Hout de toegang van het Okura hotel in Amsterdam geweigerd. De aanleiding zouden bedreigingen van het personeel zijn
In de nacht van woensdag 20 op donderdag 21 december 2000 werd er opnieuw een aanslag gepleegd op Van Hout. Hij werd meerdere keren beschoten, maar raakte niet gewond. Het onderzoek naar de aanslag wees al snel in de richting van John Mieremet. Die zou er van overtuigd zijn dat Cor van Hout achter de liquidatie van Sam Klepper in oktober 2000 zou zitten. Volgens een proces verbaal van de CIE uit die tijd zou Mieremet een prijs van 1 miljoen op het hoofd van Van Hout hebben gezet. Mieremet werd ook aangehouden voor deze aanslag, samen met Nico V. en "Paja" M. De zaak werd echter geseponeerd in verband met gebrek aan bewijs.
Op 30 januari 2000 zou Cor van Hout zijn gehoord in de gevangenis in het kader van het onderzoek naar de aanslag op Ronald van E., een kennis van Van Hout, op 26 december 1999. Van Hout zou hebben verklaard dat de aanslag te maken zou hebben met de zaken van Willem Endstra
In april 2001 kreeg van Hout een naheffing van 1.7 miljoen gulden van de belastingdienst.
Volgens Thomas van der Bijl, een vriend en medewerker van Van Hout, zou Van Hout na de tweede aanslag op zijn leven veel zijn gaan drinken en zou hij zich ook zijn gaan bezighouden met cocaïnehandel om zijn enorme uitgavenpatroon te kunnen financieren.
Op 24 januari 2003 werd Cor van Hout geliquideerd in Amstelveen. Van der Bijl wees in een verklaring tegenover de politie Willem Holleeder aan als de opdrachtgever voor de liquidatie. Willem Endstra wees in zijn verklaringen tegen de CIE ook naar Holleeder. John Mieremet werd ook genoemd als opdrachtgever. Als mogelijke opdrachtgevers en uitvoerders werden onder meer de namen van Etienne U., Johan V., Jules Jie, Stanley Hillis, Maruf M. en Nico V. genoemd. 
Op 11 september 2007 verklaarde Willem Holleeder dat Klepper en Mieremet achter de mislukte aanslag op Van Hout in 1996 zaten.
Op 12 oktober 2009 werd een 50-jarige Serviër, Milorad P.,  aangehouden in Denemarken op verdenking van betrokkenheid bij de aanslag op Cor van Hout in 1996. Volgens justitie zou hij op videobeelden staan die bij de woning van Van Hout werden gemaakt. Op de beelden zou te zien zijn dat hij de straat verkende voordat de aanslag werd gepleegd. Op 22 januari 2010 werd het voorarrest van P. verlengd.  
Peter la S. verklaard op 12 september 2006 dat het Jesse R. was geweest die de moord op Van Hout had georganiseerd en waren het Fred R. en Sjaak B. die de liquidatie van Cor van Hout hebben uitgevoerd. R. zou de motor hebben bestuurd en B. zou achterop hebben gezeten en hebben geschoten. La S. vertelde ook dat Jesse R. de opdracht voor de moord had gekregen en dat die er 'heel trots' op was geweest. R. zou dat aan La S. hebben verteld op Schiphol. 
Op 1 oktober 2010 werd Milorad P. vrijgesproken van de aanslag op Van Hout in 1996. De rechtbank gaf aan het wel verdacht te vinden dat P. geen verklaring wilde of kon geven voor zijn aanwezigheid op de plaats waar de aanslag plaatsvond.   

De aanslag in 1996

Cor van Hout en Willem Holleeder

Cor van Hout, Willem Holleeder en Willem van B.