Streten J.
Bijnaam: 'Jotsa', 'Joca Amsterdam'
Streten J. was de rechterhand van de Joegoslavische crimineel "Duja" Becirovic. Op 3 juni 1986 zou hij één van de overvallers zijn geweest van een juwelier in Amsterdam. De juwelier werd bij de overval doodgeschoten. J. werd hiervoor in augustus 1986 gearresteerd op 22-jarige leeftijd. Hij werd in juli 1987 vrijgesproken. In mei 1990 vermoordde J. een landgenoot in een Amsterdamse seksclub in opdracht van Becirovic. Toen Becirovic op 27 oktober 1990 werd doodgeschoten na een conflict met Klaas Bruinsma, werd J. de nieuwe leider van de Joegoslavische mafia in Amsterdam. Op 22 november 1991 werd Jocic gearresteerd voor de moord in de seksclub. Op 22 mei 1992 verliet hij echter alweer de gevangenis. J. werd bij verstek veroordeeld tot 1004 dagen cel wegens een poging tot doodslag op een agent. Hij week hierna uit naar Roemenië, mede omdat Steve Brown met justitie begon samen te werken.
J. werd gezocht in België, Oostenrijk, Griekenland, Thailand, Canada en Zuid-Afrika. In Oostenrijk zou J. drie politiemensen hebben vermoord. Hij zou zich bezighouden met grootschalige handel in wapens, harddrugs en valse valuta. Op donderdagavond 20 juni 2002 werd J. in het centrum van de Bulgaarse hoofdstad Sofia door zwaar bewapende arrestatieteams opgepakt op verzoek van Nederland, toen hij in een telefooncel stond te bellen. Hij liet zich niet zonder slag of stoot inrekenen. Volgens ooggetuigen werd over en weer geschoten, maar vielen er geen gewonden. J. werd verdacht van de moorden op Sam Klepper en Jan Femer in 2000. Ook zou hij achter de moord op Klaas Bruinsma en Magdi Barsoum zitten en achter de aanslag op John M. op 26 februari 2002. Als mogelijke andere slachtoffers op zijn dodenlijst worden Heineken-ontvoerder Willem H. en de Amsterdamse vastgoedmakelaar Willem E. genoemd. De naam van J. wordt genoemd  in zo'n 100 moordzaken.
J. was een zakenpartner van de in 2000 vermoorde 'Arkan' Raznjatovic, al verklaarde hij zelf in een interview met Vrij Nederland dat Arkan opdracht zou hebben gegeven om hem te vermoorden. Hij werkte ook samen met de Colombiaanse drugskartels en met Huseyin Baybasin, de Turkse mafialeider die in Nederland in de gevangenis zit. Op 17 maart 2004 werd J. in de EBI in Vught gearresteerd op verdenking van de invoer van 20kg heroine uit Turkije.
Volgens justitie kan het zeker een jaar duren voor J. aan Nederland wordt uitgeleverd. Op 9 augustus 2002 besliste de rechtbank in Sofia echter al dat J. aan Nederland mag worden uitgeleverd. Op 16 augustus 2002 werd Jotsa J. door een zwaarbewapend arrestatieteam opgehaald in Bulgarije. Hij is overgebracht naar de EBI in Vught. Na zijn arrestatie kwam hij nog regelmatig in het nieuws. Zo zou hij een aanslag hebben willen plegen op officier van justitie Koos Plooy en werd zijn naam veelvuldig genoemd in de liquidatiereeks in Amsterdam. In juni 2003 besliste de rechtbank van Amsterdam dat J. uitgeleverd mag worden aan Duitsland als hij zijn straf in Nederland heeft uitgezeten. J. ging tegen die uitspraak in cassatie.Volgens de raad voor strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming zit J. ten onrechte in de EBI. Hij werd op dat moment verdacht van drugshandel en niet concreet van geweldsmisdrijven. De uitspraak van de RSJ in juli 2004 werd fel bekritiseerd door de gevangenisdirecteuren. Aan het begin van augustus 2004 verscheen in een buitenlandse krant het bericht dat J. betrokken zou zijn geweest bij de moord op een belangrijk lid van de Zemun-clan uit Servië, de organisatie die premier Djindjic van Servië vermoorde. Hij zou om die reden ook een conflict hebben met Milorad Lukovic, de leider van de Zemun-clan. Op 13 augustus 2004 verscheen een artikel in De Telegraaf waar J. werd genoemd als opdrachtgever van de moord op Martin Hoogland. Dit is nogal opmerkelijk omdat J. en Hoogland bekend stonden als goede vrienden. Na de liquidatie van Hoogland plaatste J. een overlijdensadvertentie in De Telegraaf met de tekst: My brother, Martin.
Op 24 augustus 2005 werd er 5 jaar cel tegen J. geëist voor de smokkel van 20kg heroïne en op 7 september 2005 werd hij tot 3 jaar veroordeeld, waarvan hij op dat moment al 2,5 had uitgezeten. Het OM had de advocaat van J. op 31 augustus 20005 laten weten dat J. niet langer verdachte was in de onderzoeken naar de moorden op Klepper en Femer. 
Op donderdag 23 maart 2006 werd bekend dat J. zou worden uitgeleverd aan Servië. Hij werd daar verdacht van betrokkenheid bij een liquidatie.
Een radiostation in Servië meldde op 25 mei 2006 dat J. op borgtocht was vrijgekomen. Hij zou 300.000 euro hebben moeten betalen en zou nog wel verdachte zijn, maar is vrij om te gaan en staan waar hij wil. Een belangrijke getuige in de strafzaak tegen J. zou zijn verklaring hebben ingetrokken. In de Amsterdamse onderwereld zou men vrezen dat J. terugkeert naar Amsterdam om nog een aantal rekeningen te vereffenen.
Op 27 april 2009 werd J. in Belgrado gearresteerd. Hij werd ervan verdacht dat hij de opdrachtgever was van de moorden op Kroatisch journalist Ivo Pukanic en Niko Franjic. De twee kwamen om in oktober 2008 om het leven bij een bomaanslag. Een getuige wees J. aan als de opdrachtgever voor de moorden. J. zou zijn gearresteerd in een woning van de oud-president van Joegoslavië: Slobodan Milosevic.
Op 3 juni 2010 werd J. in Servië veroordeeld tot 15 jaar celstraf voor een dubbele moord in 1995. De rechtbank achtte bewezen dat J. de opdracht gaf voor de moorden op de crimineel Goran Marjanovic en diens vriendin Maria Dodevic. Zij werden in juli 1995 in een voorstad van Belgrado vermoord.