- Karl P.
Bijnaam:"Kalle".
P. was afkomstig uit Duitsland. Hij hield zich vanaf het begin van de jaren-60 bezig met de smokkel van amfetamine naar Scandinavië. Eerder zou hij zich hebben beziggehouden met de smokkel van alcohol. Vanaf 1967 zou hij hebben geopereerd vanuit Heerlen en omstreken.
Op 13 januari 1972 werd een partij van 40.000 pillen in Stockholm, Zweden onderschept. De Zweedse narcoticabrigade noemde
P. een gewetenloos figuur die miljoenen probeerde te verdienen en zich niet bekommerde om de duizenden mensen die slachtoffer werden van zijn illegale praktijken.
In 1971 zou P. gesmokkeld hebben per schip uit Amsterdam, maar ook met kleine sportvliegtuigjes die opstegen vanaf het Limburgse vliegveld Beek en hun lading boven Zuid-Zweden dropte.
Op 31 januari 1973 wees de president van de rechtbank in Den Haag de eis van P., dat hij niet door de minister van justitie naar Zweden zou worden uitgewezen, afgewezen.Hij had dit in een kort geding tegen de staat gevorderd.
Zweden had om zijn uitlevering gevraagd omdat hij in 1968 en 1969 amfetaminen en andere pepmiddelen Zweden zou hebben binnengesmokkeld. De rechtbank in Maastricht verklaarde de uitlevering ontoelaatbaar, waarna de Hoge Raad besliste dat de uitlevering wel toelaatbaar was.
Op 2 februari 1973 werd P. aan Zweden uitgeleverd. Hij landde op een militair vliegveld bij Stockholm omdat men bang was dat er pogingen zouden worden ondernomen om
P. te bevrijden of te vermoorden. Er waren geruchten dat hij 2 miljoen gulden had uitgeloofd voor zijn bevrijding. Zweedse contacten zouden hem willen vermoorden om zelf niet ontdekt te worden.
De Zweedse officier van justitie sprak de verwachting uit dat P. tot acht jaar celstraf veroordeeld zou worden. Hij gaf enkele maanden later aan dat het erg moeilijk was om getuigen te vinden.
Op 6 juni 1973 werd er 8 jaar celstraf tegen P. geëist en op 21 juni werd hij conform die eis veroordeeld. Hij moest ook een boete van 160.000 gulden betalen wegens ontduiking van douanerechten.
Op 22 maart 1974 werd bekend dat de Zweedse ambassadeur in Nederland enkele dagen eerder was bedreigd. Hij en zijn gezin zouden worden ontvoerd als
P. niet zou worden vrijgelaten uit zijn cel. Voor dit dreigement werden op 25 maart 1974 twee personen aangehouden: Cees S. uit Volendam en Albert P. uit Schinveld. Zij zouden 2 Amsterdammers hebben benaderd voor de ontvoering. Die waren echter naar de politie gestapt.
Op 16 december 1976 ontsnapte Pauksch aan zijn twee bewakers. Hij had toestemming van de gevangenisleiding gekregen om in de stad Norrkoeping kerstinkopen te gaan doen. In een onbewaakt ogenblik zou Pauksch een handvol peper in de ogen van zijn bewakers hebben gegooid en verdween hij in het winkelend publiek in een groot warenhuis.
Hij vluchtte naar Nederland. In de nacht van 9 op 10 maart 1977 werd Pauksch gearresteerd in Simpelveld, waar hij door enkele kennissen verborgen werd gehouden. Na zijn arrestatie spande hij via zijn advocaat mr. M. Moszkowicz een kort geding aan tegen de Staat der Nederlanden om te voorkomen dat hij weer uitgeleverd zou worden aan Zweden. Hij beriep zich daarbij op artikel 10 van het Europees Verdrag. Daarin stond dat uitlevering niet is toegestaan in alle gevallen waarin onvoldoende garanties zijn dat de betrokken persoon en zijn gezondheid gewaarborgd zijn.
Het kort geding diende op 5 april 1977. Volgens Moszkowicz zou de uitlevering aan Zweden een doodstraf op termijn betekenen. Bovendien zou er volgens de advocaat een groot risico zijn dat Pauksch zelfmoord zou plegen. Volgens een in Zweden werkende psychiater, dr. Boerman, zou Pauksch bij uitlevering geen gevangenisstraf ondergaan, maar meer iets dat steeds dichter bij de doodstraf zou komen. Volgens de psychiater zou Pauksch het nog geen jaar uithouden in de Zweedse gevangenis. Op 15 april besloot de rechtbank dat uitlevering toegestaan was. Pauksch zou lijden aan TBC.
Op 15 april 1977 besloot de rechtbank dat uitlevering toelaatbaar was en P. werd wederom naar Zweden gevlogen. Hij werd er opgenomen in
ziekenhuisafdeling van de Oesteraaker-gevangenis. Op 17 oktober 1977 werd in die gevangenis ontdekt dat Pauksch samen met een aantal medegevangenen een ontsnapping voorbereidde. De mannen waren al in het bezit van nagemaakte sleutels. De ziekenhuisafdeling zou de beschikking hebben gehad over o.a. een hobby-kamer waar men allerlei soorten werktuigen kon gebruiken. Met die werktuigen was het maken van de sleutels mogelijk geweest.
Op 20 oktober 1995 werd advocaat Hiddema verhoord door de parlementaire enquêtecommissie Opsporingsmethoden (commissie-Van Traa). In het verhoor vertelde Hiddema dat justitie
P. in had gehuurd als infiltrant. P. zou agenten van Scotland Yard, die opereerden als pseudo-kopers, hebben begeleid. Hiddema was de advocaat van een verdachte die werd aangeklaagd op basis van verklaringen van die pseudo-kopers. Hij kwam er toen achter dat de naam van
P. volledig buiten de stukken werd gehouden. Via eigen onderzoek vond Hiddema uit wat de rol van
P. was geweest en hij riep hem op als getuige. In 1995 zou die zaak nog steeds lopen.
Pauksch zou kroongetuige zijn geweest tegen Robbie van L.